Op 21 februari 2025 is eindelijk het langverwachte arrest in de Uber-zaak verschenen [Hoge Raad 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319]. In dit arrest beantwoordt de Hoge Raad de prejudiciële vragen over hoe het toetsingskader uit het Deliveroo-arrest moet worden uitgelegd ten aanzien van het begrip ondernemerschap. Kort gezegd was de vraag of het ondernemerschap van de werkende doorslaggevend kon zijn bij het bepalen van de vraag of al dan niet op basis van een arbeidsovereenkomst wordt gewerkt. De Hoge Raad oordeelt dat hij geen rangorde heeft aangebracht in de criteria en dat daarom aan de ondernemerscriteria even veel gewicht moet worden toegekend als aan andere omstandigheden in de beoordeling of iemand als zelfstandige of als (verkapte) werknemer werkzaam is. Zowel intern als extern ondernemerschap van de werkende spelen dus een rol bij de kwalificatievraag.
De prejudiciële vragen
Op 13 februari 2024 heeft Hof Amsterdam [Hof Amsterdam 13 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:601] prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. Deze vragen gingen kort gezegd erover hoe het toetsingskader voor het beoordelen van een arbeidsrelatie uit het Deliveroo-arrest [Hoge Raad 23 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443] moet worden begrepen. Of van een arbeidsovereenkomst sprake is, hangt volgens de vaste leer van de Hoge Raad af van alle omstandigheden van het geval, die in onderlinge samenhang moeten worden bekeken. In het Deliveroo-arrest heeft de Hoge Raad echter een 10-aantal specifieke omstandigheden genoemd die van belang kunnen zijn bij deze beoordeling. Een van deze punten is of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen (‘ondernemerschap’). De prejudiciële vragen van het Hof Amsterdam hadden betrekking op de uitleg van dit aspect.
Geen rangorde tussen de genoemde omstandigheden
De eerste prejudiciële vraag is of het ‘ondernemerschap’ van de werkende doorslaggevend kan zijn bij het bepalen of al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst.
De Hoge Raad is hier duidelijk over. In het Deliveroo-arrest heeft hij geen rangorde aangebracht tussen de in dat arrest genoemde omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst. De omstandigheid ‘ondernemerschap’ is dus niet minder belangrijk dan de andere omstandigheden. Voor zo’n rangorde ziet de Hoge Raad ook nu geen aanleiding.
Met andere woorden, ook als andere omstandigheden wijzen op een arbeidsovereenkomst, kan dit ondernemerschap (als dit maar zwaar genoeg weegt) de doorslag geven dat er sprake is van zelfstandigheid/ondernemerschap.
Voor dezelfde werkverschaffer kan de ene werknemer en de andere opdrachtnemer zijn
De tweede prejudiciële vraag is of een bevestigend antwoord op de eerste vraag betekent dat de arbeidsrelatie van een werkende zonder ‘ondernemerschap’ een arbeidsovereenkomst is, terwijl de arbeidsrelatie van een andere werkende, met ‘ondernemerschap’, geen arbeidsovereenkomst is. Dit ondanks het feit dat zij hetzelfde werk doen voor dezelfde opdrachtgever.
De Hoge Raad is van mening dat niet valt uit te sluiten dat voor het antwoord op de vraag of een overeenkomst een arbeidsovereenkomst is, doorslaggevend is of de werkende zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, ook als andere omstandigheden wijzen op een arbeidsovereenkomst. Het kan zich dus voordoen dat de arbeidsrelatie ten aanzien van hetzelfde werk, verricht voor dezelfde opdrachtgever, voor een werkende met ‘ondernemerschap’ geen arbeidsovereenkomst is en voor een werkende zonder ‘ondernemerschap’ wel.
Met andere woorden, het is dus mogelijk dat voor precies dezelfde werkverschaffer en werkzaamheden de ene werkende werkzaam is als werknemer en de andere als opdrachtnemer.
Ondernemerschap gaat over algemene situatie dus ook extern ondernemerschap
De derde prejudiciële vraag is of ‘ondernemerschap’ beperkt is tot aspecten die zich voordoen binnen de arbeidsrelatie tussen de werkende en de opdrachtgever, dan wel of ook elementen van belang kunnen zijn die zich afspelen buiten die specifieke arbeidsrelatie. Ook hier is de Hoge Raad kort en duidelijk. ‘Ondernemerschap’ in de zin van het Deliveroo-arrest heeft betrekking op de algemene (ondernemers)situatie van de werkende en kan dus ook zien op omstandigheden die zijn gelegen buiten de specifieke verhouding tussen de werkende en zijn opdrachtgever.
Met andere woorden, ondernemerschap gaat over de algemene situatie van degene die werkt en kan ook zien op omstandigheden die zijn gelegen buiten de relatie tussen werkende en werkverschaffer (extern ondernemerschap).
Hoge Raad volgt oordeel Advocaat Generaal niet
Advocaat Generaal De Bock heeft op 30 september 2024 in haar conclusie in deze zaak [ECLI:NL:PHR:2024:996] geadviseerd over de antwoorden op de prejudiciële vragen. Zij gaf het advies om persoonlijke ondernemerscriteria slechts een beperkte rol te laten spelen bij de beoordeling van een arbeidsrelatie; ze zijn relevant, maar kunnen ze niet doorslaggevend zijn als andere factoren wijzen op een arbeidsovereenkomst. Anders dan de conclusie van de AG oordeelt de Hoge Raad nu dus dat het zich naar buiten toe gedragen als ondernemer (dus buiten de relatie met de werkverschaffer) wel degelijk relevant is voor de beoordeling of er sprake is van zelfstandig ondernemerschap.
Hoe verder?
Het oordeel van de Hoge Raad is daarmee in lijn met eerdere rechtspraak, maar wijkt wel enigszins af van de wetgeving VBAR die momenteel in voorbereiding is.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aangegeven op deze antwoorden van de Hoge Raad te wachten en deze samen met het advies van de Raad van State mee te nemen in de besluitvorming rond het wetsvoorstel VBAR. In de huidige versie van het wetsvoorstel wordt (nog) wel een rangorde van criteria gehanteerd. In de toelichting op het wetsvoorstel staat ondernemerschap van de werkende niet centraal bij de beoordeling van de arbeidsrelatie. De focus ligt op de aard van het werk, de samenwerking binnen de organisatie en de risico’s, verantwoordelijkheden en investeringen van de zelfstandige. Pas als dat geen duidelijkheid biedt, wordt er naar het extern ondernemerschap gekeken. Het is dus even afwachten op welke wijze dit oordeel terugkomt in de nieuwe wetgeving.
Als eerste is het Hof Amsterdam aan zet om de Uber-zaak voort te zetten en in zijn uitspraak rekening houden met de antwoorden van de Hoge Raad. Ook andere rechters die in vergelijkbare zaken moeten beslissen zullen de antwoorden van de Hoge Raad daarbij betrekken.
Ook voor de dagelijkse praktijk is dit arrest van groot belang. De Hoge Raad biedt met zijn oordeel (meer) ruimte om naast werknemers ook te werken met een flexibele schil die niet werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. Het blijft wel maatwerk, waarbij goed moet worden beoordeeld of alle feiten en omstandigheden rechtvaardigen dat iemand de werkzaamheden als zzp-er uitoefent. Vanzelfsprekend denken wij hier graag in mee.